Bij iedere
vergelijking van
de eigenschappen van licht blijkt
dat we een bundel licht van
richting kunnen veranderen
(reflectie of weerkaatsing) en tevens
zien we
dat we een lichtstraal door iets heen kunnen zenden.
Dit
laatste gebeurd evenwel niet zonder dat er in het licht
als zodanig veranderingen
optreden. We noemen deze veranderingen
breking.
Voor ons in de fotografie zijn juist deze eigenschappen
die uit de verklaring als straling
voortkomen uitermate belangrijk!
Een gegeven is dat alle stoffen een groter of kleiner deel
van het
licht dat erop valt weerkaatsen.
Dit weerkaatste licht maakt dat wij ze
aan de hand van
dat weerkaatste licht kunnen waarnemen. Zien gaat
alleen met licht, zoals muziek alleen maar met geluid
te maken
heeft.
Naast deze reflectie eigenschap hebben alle stoffen
een waarde waarmee
het licht dat er doorheen gaat wordt gebroken.
Denkt U hierbij aan het
beeld van een "gebroken" stok
die in het water staat
en die bij het er weer uittrekken
toch normaal heel blijkt te zijn. Het
weerkaatste licht, want
die stok zendt zelf geen licht uit, van
het gedeelte onder water
is anders dan het weerkaatste licht van het deel
dat boven water
uit steekt.
Niet de stok is dus gebroken, maar het licht
dat wij ervan weerkaatst waarnemen.
Maar niet alle stoffen laten licht door of weerkaatsen dit, zult
U zeggen.
Dat is waar.
Natuurkundigen hangen graag waarden aan hun
waarnemeningen.
Deze indeling maakt het mogelijk om aan fenomenen
die zich minder
of meer kenmerken, een lagere of hogere waarde toe te kennen.
Binnen de termen van de natuurkunde kunnen we dus concluderen
dat de
lichtbreking of reflectie van stoffen die geen
licht doorlaten of reflecteren, een hele lage
waarde heeft of zelfs negatief is.
In mensentaal spreken we er dan van
dat
ze maar een gedeelte van het licht reflecteren of doorlaten.
We
weten namelijk dat niet alle stoffen alle licht reflecteren
of dat er volledig
(on)doorzichtige oppervlakken en massa's zijn!
Als
een stof dus wel licht door laat of juist veel licht reflecteert,
dan heeft
dat een een hoge waarde, maar dat lijkt me
vanzelfsprekend.
Als we het licht doorlatende vermogen van diverse materialen bekijken,
dan blijkt dat er zich verschillen voordoen die we niet alleen
in metingen kunnen aantonen!
Enkele van deze verschijnselen zijn
zo sterk
dat we ze kunnen gebruiken bij de veranderingen of manipulaties
van het
licht die we nodig hebben om ermee te kunnen schrijven.
Lichtsamenstelling
In het dagelijkse leven worden we omringd door
talrijke fenomenen
die door de wetenschap van een naam voorzien zijn en
die,
soms met heel ingewikkelde apparatuur, gemeten en benoemd
kunnen
worden. (een waarde toe gekend krijgen)
Neem als voorbeeld electromagnetiese straling.
We
weten bijvoorbeeld dat er de hele dag nieuws en/of muziek
van allerlei zenders te
beluisteren is. Het enige apparaat dat ervoor nodig is
om over al die
"informatie" te kunnen beschikken is een radiotoestel
waarmee we uit
het grote aanbod aan verschillende zenders
de keuze kunnen maken
waarnaar we willen luisteren..
Hetzelfde verhaal gaat op voor t.v. en in zekere zin ook GSM.
Bij al
deze toepassingen is de gebruikte (radio) frequentie
apparaat en doel
afhankelijk.
De voor het gebruik van deze
apparaten benodigde straling is
voor ons onzichtbaar en onhoorbaar
tenzij we dus beschikken over een apparaat dat deze straling
voor ons
vertaalt in voor onze zintuigen (onze eigen ontvangstapperatuur)
wel waarneembare informatie.

Hierboven ziet U hoe de
electromagneties straling is verdeeld over van links naar rechts
de
hoge (gevaarlijke) frequenties (met het oranje blok erboven), UV (ook
gevaarlijk), het voor mensen zichtbare deel
(onder het witte blokje),
Infra Rood (rose blok erboven). en nog verder naar rechts
de radiofrequenties
die als draaggolf dienen voor radio en t.v.
Voor onze oren hoorbaar
geluid zit nog een flink stuk verder naar rechts op deze schaal.
Zelf beschikken we dus ook over een aantal van deze
"ontvangst apparaten". Zo hebben we
voor het geluidsdeel van de ons
omringende straling de beschikking over onze oren
en kunnen we het
gedeelte dat we licht noemen
zien met onze ogen.
Toch zijn de verschillende vormen van straling voor ons mensen
niet zo
niet zo eenvoudig te onderscheiden.
"Licht"
bestaat zoals we in het hierboven afgebeelde staatje zien
voor een groot deel
uit voor onze ogen onzichtbare frequenties.
Vergelijk dit met onze
oren.
Wij horen immers, bijvoorbeeld in vergelijking met een hond, ook
niet alles!
Daar komt dan nog bij dat we het onhoorbare
evenals het
onzichtbare niet als zodanig herkennen
(dus vertalen naar horen of
zien) maar wel
kunnen waarnemen.
Iets noemen we een warme kleur of toon terwijl we andere juist koel vinden.
We kunnen bij het luisteren naar muziek onderscheiden
welk instrument de betreffende toon
produceert. We noemen dat dan de klank.
Kennelijk moeten we licht
zien als een samenstelling van verschillende lichtstralen
met allemaal
een andere golflengte. Makkelijker gezegd, wit (zichtbaar) licht
bestaat uit
een mengsel van meerdere lichtgolven met verschillende
frequenties.
Als we een bundel licht scheiden, zie bijvoorbeeld het
plaatje rechts,
dan zal blijken dat het "witte" licht grofweg bestaat
uit de zes basiskleuren.
Als al die basiskleuren even sterk voorkomen spreken we
van het echt wit
licht. In alle andere gevallen zal de overheersende kleur
de tint
bepalen. (suplementair licht)
Als we in dit licht een rood of blauw of groen oppervlak zien, dan
wordt dit
(witte) oppervlak kennelijk verlicht door alleen rood of
blauw of groen licht.
Het voor ons zichtbare deel van licht kunnen we scheiden (uit elkaar trekken) met een
gelijkbenig
driehoekig geslepen stuk glas (prisma) zoals te zien op dit
plaatje.
Op deze manier kunnen we dus de samentellende delen van
het gedifracteerde (uit elkaar getrokken) licht een eigen waarde geven.
De beste illustratie van de hierboven beschreven eigenschappen is een
donker oppervlak
in de volle zon, deze kan namelijk flink warm worden! Kennelijk
wordt
de rest van het niet gereflecteerde licht door dit oppervlak omgezet in warmte.
Licht is dus energie!
Additief
en Subtractief
Om kleuren op de juiste manier te zien en waarderen moeten we,
zoals we
hierboven zagen, uitgaan van een exact witte lichtbron. Maar we zagen
ook
dat er geen exact wit licht bestaat voor onze ogen, omdat we wat
we zien interpreteren.
Om kleuren onderling van
elkaar te onderscheiden moeten we uit kunnen gaan
van een juiste
verhouding tussen die kleuren.
We noemen dit de kleurbalans.
Vooral in de verdere verwerking van onze
fotoproducten is het echter van belang
dat we voor de weergave van onze
foto's over de juiste kleurbalans
uitsluitsel kunnen geven. In de
praktijk zijn er twee methoden ontwikkkeld
om tot een standaard in de
kleur weergave te komen.
Bij de ene methode wordt er uitgegaan van donker (geen licht) en worden er
in de
drie basiskleuren door menging, wit licht gemaakt. Bij deze methode
wordt uitgegaan van zuiver rood, groen en blauw en door deze kleuren bij
elkaar in een bundel op
te tellen (additief), zeg maar te mengen, worden
de
tussenliggende kleuren verkregen. Een drukker bijvoorbeeld hoeft dus
alleen maar deze
drie zuivere basiskleuren als inkt te hebben
om toch een veelkleurig plaatje van
onze foto te kunnen drukken. Als alledrie de basiskleuren
even sterk aanwezig
zijn, dan krijgen we immers wit.
(in een drukerij wordt echter al wit papaier gebruikt
het is daardoor zinloos om daar door kleurmenging weer wit
bovenop te maken)
Deze methode wordt trouwens toegepast in de monitor die voor u
staat
en hetzelfde systeem werkt dus vooral goed bij die vormen van beeld opbouw
die uitgaan van donker zoals bij t.v.
Het blijkt dat we, door
een juiste balans aan te brengen
in de mate waarin deze drie basis kleuren
voorkomen, een totaalbeeld
kunnen vormen.
Om eventueel donkerdere en lichtere beelden te maken kan het totaal
(maar nu telle we in grijswaarden) van het licht gedimd worden.
Dat deze basiskleuren
verschillen van de oorspronkelijke zes die we
als hoofdkleuren
onderscheiden bij lichtscheiding met een prisma
heeft een prakties punt
die betrekking heeft
op de doseerbaarheid.
De tweede methode om tot een gebalanceerde standaardweergave van de
kleuren
te komen wordt vooral in de fotografie gebruikt. We gaan
hierbij meestal uit
van een negatief en dat maakt het omrekenen bij de
additieve methode
wat omslachtig.
Om de juiste kleurenbalans in orde te krijgen gaan we nu uit van zuiver wit
licht,
waarbij we van de drie basiskleuren, die complementair
(tegenovergesteld)
zijn met rood, groen en blauw, weg filteren. We nemen ze weg (subtractief)
uit dit licht. Deze filterkleuren zijn geel, magenta en cyaan.
Totaalfiltering levert de aftrek van alle licht, dus geen licht
ofwel duisternis (totale wegfiltering van alle licht = zwart) op.
Deze methode wordt gebruikt bij licht dat er al is
omdat het (zoals bij
fotoprinters) vanuit een witte, felle bron
geprojecteerd wordt. Omdat er hierbij van zuiver wit
licht uitgegaan wordt
en de filter faktoren (mate van filtering) bij de projectie ingesteld
kan worden. Denk hierbij ook aan de hedendaagse
presentatie
technieken.
Op de plaatjes zijn helaas de exacte kleuren niet goed
weer te geven,
maar ik hoop dat de getoonde illustraties
toch duidelijk maken wat het
verschil is tussen beide belichting methoden.
Terug naar het
begin of Kontakt maken
via e-mail