Lenzen (optiek)
Onderstaand plaatje heb ik uit mijn Natuurkunde boek gekopieerd
om duidelijk te maken waar we het over hebben als we spreken over
"lenzen".
U herkent vast wel de symbolische weergave van een lens. De lijntjes
geven de optische as en de lichtlijn aan. Deze lichtlijn is voor
ons van belang, want fotograferen gaat nu eenmaal met licht en
dat licht kunnen we door gebruik te maken van lenzen manipuleren.
Als U het voorwerp (V) links bekijkt door de lens (L) en U bevindt zich
ter hoogte van het pijltje rechts, dan "ziet" U een afbeelding van dit
voorwerp (v'). U merkt dat het uitgezonden licht, in dit schemaatje
afgebeeld via de rode lichtlijn, door de lens afgebogen wordt en
daardoor via het brandpunt (B) omgekeerd wordt.
Zo'n brandpunt kennen we nog wel, omdat we allemaal wel eens een met
een vergrootglas de oneindig verre zon een gaatje ergens in hebben
laten branden.
De afstand die ons brandglas moest hebben tot het onderwerp van
het branden, noemen we de brandpuntsafstand. Deze
brandpuntsafstand
is afhankelijk van een aantal faktoren!
Zo blijkt dat een lens die, zoals in ons bovenstaande voorbeeldje,
bol/bol is een ander brandpunt te hebben dan een exemplaar dat
anders, bijvoorbeeld platter, van vorm is. Gaat U er overigens
van uit dat iedere lens een voorkant en een achterkant heeft die
onderling een verschillende optische werking kunnen
hebben.
Om dit uit te leggen moeten we verder op de werking van optiek
en de invloed van de optische wetten ingaan!
Optische
regels en wetten
Voordat we ook maar iets kunnen zeggen over
lenzen en optiek, moeten we kijken naar het eigenlijke fenomeen waarmee
we werken, licht. Zoals ik daar al geschreven heb gaan we ervan uit dat
licht bestaat uit een samenstelling van diverse golfvormen.
Helaas blijken de eigenschappen van licht iets af te wijken van de
gangbare verschijnselen van golven en dat maakt het zo aantrekkelijk om
de mogelijkheden die samenhangen met deze speciale eigenschappen uit te
buiten.
Normaal buigen golven bij het raken van een obstakel om en het blijkt
nu dat licht in dat opzicht afwijkt. Neem bijvoorbeeld de golfjes die
optreden bij een in de vijver geworpen steen.
Zo zien we bij licht dat dit niet uitwaaiert als een bolvormige golf,
maar zich rechtlijnig voortplant in een homogeen medium zoals
bijv.lucht, glas.
Een direkt bewijs voor deze eigenschap wordt
eigenlijk geleverd doordat licht schaduwen vormt. Licht vormt dus
bundels.
Als we een bundel licht op een reflecterend oppervlak laten vallen, zal
deze bundel (geheel of gedeeltelijk) worden teruggekaatst. (reflectie)
Dit noemen we verstrooiing van het licht en dit stelt ons in staat om
voorwerpen die zelf geen licht uitzenden toch te zien!
We zien daarnaast dat een lichtbundel bij de overgang van het
ene medium (lucht) naar het andere (water, glas) enigzins verandert
van baan. (breking)
Bij iedere overgang van het ene medium in het andere treden
er veranderingen op in de richting van een lichtbundel, maar ook
zal een deel van de bundel licht afgebogen worden door reflecties
die aan de oppervlakte optreden.
Een combinatie van bovenstaande eigenschappen resulteert erin dat we
licht met de toepassing van verschillende materialen kunnen
manipuleren. We kunnen lichtbundels met spiegels een andere richting
geven of met absorberende oppervlakken min of meer tot
stitstand brengen. Omdat er dan geen reflectie optreedt zien we weinig tot niets. Het is donker.
We kunnen de breking en (interne) reflectie die optreedt bij het
toepassen van verschillende materialen (glas) gebruiken om lichtbundels
te veranderen van vorm.
Waarbij we er wel terdege rekening mee moeten houden dat we de
samenstelling van het licht niet te veel moeten beinvloeden. Immers
een bundel licht bestaat uit een verzameling onderling verschillende
lichtstralen. Zo'n verzameling is uniek en behoort bij het door
ons waargenomen onderwerp.
Ik moet nu even, om spraakverwarring te vookomen, een afspraak
met U maken. Als ik het over licht heb, dan praat ik niet over
het licht dat opgewekt wordt in een bron, maar dan heb ik het
vrijwel uitsluitend over gereflecteerd licht. Om een en ander
echter makkelijker uit te leggen is het, in de spreektaal, eenvoudiger
om ieder punt van een onderwerp als afzonderlijke lichtbron te
zien. (maar dat is dus in vrijwel alle gevallen een reflectie!)
Het komt in de fotografie eigenlijk nauwelijks voor dat we een
lichtbron zelf willen vastleggen. Het licht dat we
bij
het maken van foto's gebruiken is dus reeds verstrooid en heeft
mede daardoor een variabele samenstelling.
Alleen wit licht van homogene samenstelling fotograferen lijkt me
trouwens wat saai.
Van
lens naar objectief
Zoals ik hierboven beschreven heb, kunnen we met een spiegel en een
lens, de vorm, de samenstelling en de richting van een lichtbundel
manipuleren.
Iedere lens heeft namelijk, door de manier waarop deze in vorm is
geslepen, een eigen afbuigende (brekende) invloed op een lichtbundel.
Door glas met een speciale samenstelling toe te passen kan dit ook weer
een invloed uitoefenen op het lichtdoorlatende vermogen van de lens.
Iedere lichtdoorgang zal derhalve een verandering teweeg brengen in de
bundel.
Door een combinatie te maken tussen de verschillende eigenschappen en
veranderingen die ermee samenhangen in de lichtbundel is het dus
mogelijk om een afbeelding te maken van een voorwerp.
Een ideale lens zal dus een voorwerp zo eerlijk mogelijk afbeelden.
Zonder afwijkingen en kleurveranderingen. (abberaties) Zo'n ideale lens heeft de
voor het licht benodigde glassamenstelling. Maar.......... helaas zijn
in de fotografie, de omstandigheden niet ideaal en zeker niet
standaard. We zullen dus een oplossing moeten vinden die in het
algemeen bruikbaar is.
Bij de opbouw van een ideale "lens" zullen we de diverse eigenschappen
van aparte lenzen moeten gebruiken om deze in samenwerking
te dwingen tot de verandering in de lichtbundel die wij ons wensen. De
opzet van een lens of lenzenstelsel is namelijk altijd om een bundel
licht in een bepaalde verandering te dwingen.
Helaas gelden vooraf in een laboratorium bepaalde gegevens niet
onverminderd in het dagelijkse leven. In het veld blijken er telkens
weer fenomenen de kop op te steken die de uitgerekende mogelijkheden
twijfelachtig maken.
Zo zal het licht in een proefopstelling altijd een bepaalde
samenstelling hebben en in de natuur is dat wel even anders. Als
voorbeeld wil ik hier alleen de veranderingen in de samenstelling van
het zonlicht geven die er zich over de dag (en het jaar) voordoen. (het
licht in de vroege morgen is echt anders dan dat rond het middaguur en
vergeet niet het stof dat in de loop van de dag opgedwarreld
is)
In een testopstelling kunnen we een bundel licht met een bepaalde
intensiteit laten toenemen door deze bundel te laten convergeren (dmv.
een positief Brandpunt) en divergeren (negatief Brandpunt). Op deze
wijze kunnen we de lichtbundel iedere keer in optimale vorm brengen
voor verdere behandeling bij de passage door een volgend lensdeel.
Ieder lensdeel zal dus ook zijn eigen funktie hebben.
(convergeren=samenstromen / divergeren=uitwaaieren)
De afbeelding die we uiteindelijk met onze lens opwekken, levert
zodoende een zo bruikbaar mogelijk beeld op het focusvlak en daar
stoppen we dan de film/CCD.
Maar hoe zit dat met die lichtintensiteit en -samenstelling van de
bundel?
Bij het ontwerp van een objectief (want dat is uiteindelijk de
vorm die een lenzenstelsel moet krijgen in ons geval) moet er
rekening worden gehouden met een veelvoud van dit soort (onzekere)
faktoren.
We willen bij het fotograferen zoveel mogelijk licht op het filmvlak
krijgen zonder dat dit allerlei vervelende afwijkingen ten opzichte
van ons onderwerp met zich meebrengt.
Een ontwerper zal dus altijd een compromis moeten zoeken tussen het ideaal in een
laboratorium opstelling, de natuur en de wensen van de fotograaf. (Waarbij, niet
onbelangrijk, de prijs!)
Zien
en kijken
Zoals we hierboven reeds zagen, kunnen wij de ons omringende zaken
alleen maar zien als ze of zelf licht uitstralen (kaars, lamp,
zon) of als ze het omgevingslicht reflecteren. Ieder oppervlak
heeft een eigen reflecterende eigenschap.
Wij hebben geleerd om deze verschillende eigenschappen te
interpreteren.
Kortom wij zien of iets bijvoorbeeld een metalen of een houten
oppervlak heeft. Dat hebben we uit ervaring zo geleerd.
Met de eigenschappen van het omgevingslicht hebben wij ook de nodige
ervaringen opgedaan en daarom kunnen wij onder verschillende
omstandigheden onze interpretatie aanpassen. Zelfs
al zien we bijvoorbeeld alleen rood licht, dan nog zijn we in staat om,
zij het beperkt, kleuren te zien. Dat doen we echter niet met onze
ogen, maar dat doen we met onze hersenen. Gras is altijd
groen, dus het kan niet anders zijn dan dat er licht van een andere
kleur gebruikt wordt als gras er een keer niet groen uit lijkt te zien.
Hierin verschillen we dus van fotografie. Hoe intelligent onze
camera's ook mogen zijn, de mogelijkheid om te interpreteren ontbreekt
nog steeds. Gras is bruin bij rood licht en dus voor ons niet meer erg goed herkenbaar op een foto of dia.
Kwaliteits
faktoren:
Als we licht willen gaan manipuleren met lenzen,
zullen we rekening moeten houden met de fenomenen die hierboven
aangestipt
worden. Hoe meer fouten er worden uitgesloten en hoe beter het
benodigde licht voor ons doel wordt gemanipuleerd hoe hoger de
kwaliteit.
De vorm van de lenzen en de manier waarop deze
vorm, bijvoorbeeld
door gieten en slijpen tot
stand komt.
Het
gebruikte glas. Door de diverse toevoegingen aan het
glas
mengsel tijdens de fabricage kunnen de optische kwaliteiten
beïnvloed
worden.
Het
opheffen van foutjes en voorkomen van ongewenste nevenverschijnselen
zoals interne reflectie en ongewenste lichtbreking. (coatings
op de lensoppervlakken)
De
mechaniese opbouw en het onderlinge functioneren van de diverse
elementen die een lenzenstelsel vormen.
Zie voor meer informatie over objectieven ook bij
Spiegelreflex